Maak weer contact. Kijk eens naar de ander om. Geef eens wat aandacht, wat tijd. Zo worden we gestimuleerd. Maar: kunnen we het nog?
Je woont tussen vriendelijke buren, ze groeten je en wensen je fijne dag. Je zou ze wel eens willen spreken, ze hebben zeker iets te vertellen, daar sta je voor open. Maar de lucht staat stijf van: geen tijd. Soms bel je aan met een vraag of een pakje. Nooit vragen ze je binnen. Het gebeurt gewoon niet.
Je hebt je werk en bent daarbuiten actief in dit of dat groepje. Het zijn leuke mensen, er is wel verwantschap. Soms heb je een goed gesprek. Maar bij zich thuis vraagt niemand je, tot vriendschap komt het niet en nog eens niet.
De afleidingen in mijn hoofd bestaan vooral uit het gedachte uitspreken van de banale dingen van het moment: “Begrijp niet dat mensen de film niet mooi vonden.” “Was weer meteen mijn droom kwijt bij het wakker worden.” “Drink wel een liter water vanavond, blijf maar dorst houden.” Alles behoefte aan uitspreken, aan delen, zoals je normaal doet, maar waarvoor je geen kans meer krijgt.
We worden ontzield, ontmenst. We gaan als schimmen over straat, altijd langs elkaar heen. Ik vind het niet meer te doen.
De contactgestoordheid wordt gezien, baart zorgen. Men dringt aan op omzien naar elkaar. Maar wij kunnen het niet meer. Niet omdat we zo onverschillig zijn, of zo hard, maar omdat wij het ook niet meer willen. We hebben onze handen vol aan ons eigen leven, aan produceren, consumeren, renderen. Op onze manie houden we ons buiten staande, de depressie is voor thuis. Hoe kunnen we, gestrest tot in ons merg, nog belangstelling hebben voor anderen?
Contact is ook niet meer die extra moeite waard, want wat schieten we ermee op? Wie heeft nog de fut om iets anders te bieden dan gepraat? Beleven we nog de dingen tot in onze ziel? De dingen die, met noodzaak gedeeld, de ander wezenlijk verder helpen? Nee.
Is het een wonder dat wij, onszelf kwijt, eenzaam zijn? Nee.
Al dit menselijks in ons wordt kapot gemaakt. We zijn niet meer in staat om contact nog maar te willen. En we weten het niet, want ook het tot weten kunnen komen, de reflectie, wordt, met 24 uur per dag moeten, uit ons weg geblazen.
Ben je bij uitzondering wel in staat dit geweld tegen het menszijn te zien en er onder te lijden, kan dit dan niet alleen dankzij een soort kloosterleven, je al het overbodige ontzeggen, met weinig buiten de deur, weinig behoeftes, weinig media, en toch midden in het leven?
Waar kijken we op terug in het zicht van de dood? Op een niet geleefd leven. Niet doordat wij onze kansen hebben laten liggen, maar doordat we de kans op een leven niet hebben gekregen.
De dwang van buiten wint het van onze kracht vanbinnen. De dwang van buiten is totalitair. Bezit en macht halen het leven uit alles weg, uit de natuur, uit de samenleving, en ook uit ons persoonlijk.
Het is misdaad tegen de menselijkheid.
Houd op van ons te eisen dat we luisteren, delen, sociaal zijn. Houd eerst maar eens op onze sociabiliteit kapot te maken. Houd eerst maar eens op met deze barbarij van bezit en macht, deze corrumpering van beschaving die er wel degelijk is geweest.
En intussen? Intussen is de enige uitweg inderdaad de uitweg: om weer tot leven te kunnen komen, is het nodig je kwaad te maken over de totale destructie, is het nodig uit het systeem te stappen. Te weigeren je nog langer te laten verleiden tot wat dan ook.
Trek een streep. Committeer je aan een eenvoudig leven, kom tot rust, word weer mens.
Kunnen we dat, een streep trekken?
© 2025 Helen Gerretsen
Amsterdam