
Bu en Iedje
Ideeënroman
Bu en Iedje is een ideeënroman. De idee die centraal staat, is de vraag: Hoe te leven. De jonge Iedje vraagt het aan haar buurvrouw, de oude Bu, die het kan weten. Het verhaal loopt van het begin van de twintigste eeuw tot in de nabije toekomst, eigenlijk tot in de eeuwigheid. Terwijl Bu van kind af aan doet wat ze kan om zichzelf te blijven, geeft dit haar ook de distantie om te zien hoe de maatschappelijke druk dat voor de meeste mensen onmogelijk maakt. Het zijn de tijden die van betrekkelijke schaarste geleidelijk ontsporen in overconsumptie; uiteindelijk komt het noodzakelijk tot een kanteling, waarna de mensen het per se anders willen. Zij bouwen een bestaan op zonder bezit en zonder macht. Een eenvoudig, leefbaar bestaan dat tot in de eeuwigheid kan duren. Dit laatste is het leven zoals Iedje het niet anders kent. Is dit het antwoord op de vraag Hoe te leven: zoals het eeuwig door kan gaan is het goed en blijft het goed?
En heel de aarde, de mensen, het leven komen tot rust.
Bu en Iedje, ideeënroman, is nog niet uitgegeven.
Fragment uit Bu en Iedje
(blz. 2 en 3)
Ik heb zeep bij me voor Bu, vette rozenzeep, daar had zij om gevraagd. Ik ben in de leer om zeep te maken.
Zeker een keer in de week ga ik langs bij de buurvrouw. Bu is schilder en ze is oud. Ze heet Anne Fleur, maar ik zeg Bu.
Ik ga wanneer ik vrij ben, altijd ’s middags. ’s Ochtends werkt ze, ’s middags is ze onder de mensen, tenzij ze in het tuinhuisje blijft.
‘Soms verveel ik me onder de mensen, Iedje’ zegt Bu. Ik heet Ida, maar Bu zegt Iedje. ‘Alleen verveel ik me nooit.’
Maar ik ga toch. En Bu stuurt me niet weg, dus ik kom gewoon.
Bu is een beetje apart. Apart is dat ze op het balkon slaapt, zomer en winter, zolang het niet vriest. Niet pas onder de nieuwe omstandigheden, maar naar haar eigen zin, al haar leven lang.
‘De nevel die in druppels van de bomen valt, in de vochtige nacht het kraken van de takken, de stilte van het ruisen, daar deel aan te hebben,’ zegt Bu. ‘De steeds veranderende geuren van lentebloesem, zomergroei, afvallend blad, stilte, en weer uitbotten. Kijkend naar de sterren vergeet je sores. Omgeven zijn door buitenlucht, de regelmaat inademen, het voortbestaan.’
Vroeger had zij de naam het belangrijke onbelangrijk te vinden, en het onbelangrijke belangrijk. Bij de turbulentie van de laatste tijd is daar veel voor te zeggen gebleken. Mensen komen graag bij haar langs.
Het kan er in huis vol zijn, passanten die ergens verstand van hebben, schoenmakers, bosbouwers, artsen, en die steeds weer verder gaan om hun expertise ergens anders in te zetten. Daar beweegt zij zich graag tussen, behalve als ze er genoeg van heeft, dan is er het tuinhuisje, dat strikt van haar is. En waar ik dan aanklop.
Als ik er ben, doen we meestal niets speciaals. Bu gaat gewoon door met waar ze mee bezig is, en daar laat ze mij dan aan meedoen. Verf wrijven, onkruid wieden. Zelfs als ze een brief aan het lezen is. Bu zegt dan:
‘Moet je horen. Dit is weer van iemand die niet weet hoe het moet. Ja, dat was er ook lange tijd niet bij, ervaring met leven. Dat was voor jouw tijd. Wij waren er om andere redenen, niet om te zijn. Wie je was, deed er niet toe. En we wisten niet beter. De rot zat erin, in de lucht om je heen, in de grond onder je voeten, en in je kop.
Tot het niet meer kon. We kwamen met lege handen te staan, moesten het wiel opnieuw uitvinden, het wiel van de levenskunst. Ik zal haar zeggen: Laat af van je getob, je bent die niet. Luister weer naar binnen, naar je hart. Dat weet wat van waarde is en kan het je vertellen.’
Je hart? In dat geval moet ik nu toch iets kwijt, van die binnenwereld van mij. ‘Ik weet het ook wel eens niet, Bu, wat leven is.’
‘Ja, dat is de vrijheid, die je nu hebt. Ook die moeten we leren. Ga maar bij jezelf te rade, dan kom je het wel op het spoor.’
Apart ook aan Bu is dat ze ineens kan opstaan en naar de kapstok lopen, waar jassen zijn voor verschillende doeleinden, hoeden, sjaals. Daar grijpt ze een armvol spullen en laat die midden in de kamer vallen. Dan wil ze spel.
Nu zegt ze:
‘En toen was jij herder, onderweg met je schapen, en ik kwam langs.’
Ze reikt mij een wollen jas aan en een stok en neemt voor zichzelf haar tuinjasje. Ik heb al ervaring, de manier is: met de deur in huis.
‘Dag goede man, weet je de weg?’
‘De weg, mevrouw? Niet altijd, eerlijk gezegd. Waar wilt u naar toe?’
‘Naar het paradijs graag, als het even kan.’
‘U bedoelt die tuin van eeuwige vrede en harmonie? Maar mevrouw, die weg is zompig en donker. Een zwerftocht vol doornstruiken, addergebroed en roofdiergesluip, waarin je het met je zelf hebt te stellen.’
‘Toch wil ik het.’
‘Dan ga ik met u mee.’